Het FD schreef onlangs over het verdwijnen van de laatste Ferraris-meters. Een goed moment om stil te staan bij een minder belichte kant van deze klassieke terugdraaimeter: het effect op de allocatie van energievolumes.
Bij huishoudens met zonnepanelen registreert een Ferraris-meter namelijk maar een deel van de werkelijkheid. Een deel van de opgewekte stroom wordt direct in huis verbruikt en bereikt het net niet. Wat overblijft wordt teruggeleverd, terwijl op andere momenten juist elektriciteit wordt afgenomen.
Neem een woning met een jaarlijks verbruik van 4.500 kWh en een opwek van 4.000 kWh. Een Ferraris-meter laat uiteindelijk slechts één getal zien: ongeveer 500 kWh netto afname. Een digitale meter daarentegen legt zowel afname als teruglevering afzonderlijk vast. Bij een Ferraris-meter verdwijnen die onderliggende stromen volledig uit beeld. In de allocatie kan daardoor alleen netto verbruik worden meegenomen, terwijl de daadwerkelijke afname en teruglevering veel groter zijn.
Dat wordt steeds problematischer, omdat afname en teruglevering verschillende marktwaardes hebben. Teruglevering vindt vooral plaats op zonnige middagen, wanneer het aanbod groot is en de EPEX-prijs laag of zelfs negatief kan zijn. Afname gebeurt juist vaker in de avond en winter, wanneer de vraag piekt en prijzen hoger liggen. Een meter die deze stromen niet apart registreert, kan dat waardeverschil niet correct toewijzen.
Het gevolg is dat niet-toewijsbare volumes terechtkomen in het zogenoemde restantvolume. Dit moet alsnog worden verdeeld binnen het systeem. Lange tijd werd dit uitgesmeerd over alle profielaansluitingen, een grote groep waardoor de impact per aansluiting beperkt bleef.
Met de invoering van Allocatie 2.0 in mei is dat veranderd. Aansluitingen met een slimme meter worden afgerekend op basis van werkelijke kwartierwaarden en vallen buiten deze verdeling. Hierdoor blijft een steeds kleinere groep profielaansluitingen over die het restantvolume moet dragen. Een deel van dit effect wordt opgevangen doordat restantvolume ook (gedeeltelijk) aan netverlies wordt toegerekend, maar via nettarieven komt dit uiteindelijk alsnog bij alle aangeslotenen terecht.
Welke verdeelmethode ook wordt toegepast, de kern blijft hetzelfde: waardeverschillen die horen bij specifieke aansluitingen worden gesocialiseerd over het hele net. En naarmate de prijsverschillen tussen dag en avond toenemen, groeit ook deze scheefverdeling.
De slimme meter is vanuit allocatieperspectief de meest zuivere oplossing. Maar zelfs een digitale meter die nog handmatig wordt uitgelezen, is al een grote stap vooruit ten opzichte van de Ferraris-meter. Hoewel je dan afhankelijk blijft van opgegeven meterstanden, wordt er in elk geval onderscheid gemaakt tussen afname en teruglevering. Het verbruiksprofiel kan bovendien worden gebaseerd op vergelijkbare slimme aansluitingen.
De Ferraris-meter mist dit onderscheid volledig en vormt daarmee een uitzonderingscategorie. Hoe langer deze meters in gebruik blijven, hoe meer waarde onzichtbaar wordt verdeeld over de collectieve rekening.








