De Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) keert € 1,43 miljard uit aan haar aandeelhouders Shell en ExxonMobil. Daardoor zakt de solvabiliteit van de NAM onder de 25 procent die in 2018 is afgesproken. Veel media melden dat de NAM “een afspraak met de Staat schendt”. Maar die afspraak is gemaakt tussen de Staat en de aandeelhouders, niet met de NAM zelf. Klopt de kop dan wel? In deze blog zetten we de feiten, de juridische constructie en de risico’s op een rij.
In het kort
- De NAM keert € 70 miljoen regulier dividend over 2025 uit, plus een aanvullende uitkering van € 1,36 miljard uit de reserves.
- Het Akkoord op Hoofdlijnen (AoH) van 2018 is ondertekend door de Staat, Shell Nederland B.V. en ExxonMobil Holding Company Holland LLC. De NAM staat niet bij de partijen.
- Juridisch zuiver geformuleerd: de NAM schendt geen eigen verplichting uit het AoH. De vraag is of Shell en ExxonMobil hun verplichting nakomen om “erop toe te zien” dat de NAM financieel robuust blijft.
- Dat onderscheid is in de praktijk dun. Shell en ExxonMobil zijn de enige aandeelhouders. Zij besluiten over het dividend en ontvangen het ook.
- De NAM stelt dat zij robuust blijft, omdat zij de € 1,36 miljard tot september 2031 kan terugvorderen. Of dat gelijkwaardig is aan eigen vermogen, staat ter discussie.
Wat is er in 2018 afgesproken?
Op 25 juni 2018 sloot het kabinet het Akkoord op Hoofdlijnen met Shell en ExxonMobil over de afbouw van de gaswinning in Groningen (Kamerstuk 33529-1039). De kern voor deze discussie staat in artikel 6.5 van het AoH:
“Teneinde zorg te dragen voor de toekomstige financiële robuustheid van NAM (…) zullen Shell en ExxonMobil erop toezien dat: (…) d) NAM vanaf nu geen uitkeringen aan aandeelhouders zal doen gedurende het boekjaar. (…) Mits [gelakt] in stand blijft, kan NAM vanaf 2020 dividend uitkeren na afloop van elk boekjaar.”
In de openbare versie is het percentage weggelakt. Het jaarverslag van de NAM vult dat in: de NAM kan een uitkering doen “mits een solvabiliteit van 25 procent in stand blijft” (NRC).
De toenmalige minister schreef de Kamer dat “NAM altijd blijft betalen voor alle schade en versterking van gebouwen” en dat de NAM daarna “slechts dividend [kan] uitkeren als zij voldoende financieel robuust blijft” (Kamerbrief 25 juni 2018).
De kernvraag: is de NAM gebonden aan een afspraak die zij niet tekende?
Feit: de NAM is geen partij bij het AoH
Het AoH noemt drie partijen: de Staat (vertegenwoordigd door de minister van EZK), Shell Nederland B.V. en ExxonMobil Holding Company Holland LLC. De NAM staat niet bij de partijen en niet bij de ondertekenaars. Een overeenkomst bindt in het Nederlandse recht in beginsel alleen de partijen die haar sluiten.
De NAM gebruikt die lijn ook zelf. Zij stelt dat zij geen partij is bij “de afspraken over de schadevergoeding of de juridische strijd tussen haar aandeelhouders en de Staat”.
Conclusie op dit punt: een kop als “NAM schendt afspraak met de Staat” is juridisch onzuiver. De NAM kan geen contract schenden waarbij zij geen partij is.
Maar: de verplichting ligt bij de partijen die het dividend bepalen
Het AoH is zo opgesteld dat de NAM niet zelf gebonden hoeft te zijn. De verplichting ligt bij Shell en ExxonMobil: zij “zullen erop toezien dat” de NAM aan de voorwaarden voldoet. Daarnaast bepaalt artikel 1.6 dat partijen ervoor zorgen dat hun verbonden vennootschappen binnen het Gasgebouw “zich zullen committeren aan de in dit Akkoord gemaakte afspraken” .
Bij een B.V. besluit de algemene vergadering, dus de aandeelhouders, tot een uitkering. Het bestuur moet die uitkering goedkeuren. Het bestuur weigert die goedkeuring alleen als het weet of redelijkerwijs moet voorzien dat de vennootschap daarna haar opeisbare schulden niet meer kan betalen (artikel 2:216 BW). Volgens berichtgeving vroegen de twee aandeelhouders zelf om de aanvullende uitkering.
Daarmee verschuift de vraag. Het gaat niet om de vraag of de NAM de afspraak schendt, maar om de vraag of Shell en ExxonMobil hun toezichtsverplichting nakomen. Zij moeten toezien op de solvabiliteit, maar zijn ook degenen die tot de uitkering besluiten en het geld ontvangen. Het argument “de NAM is geen partij” verlegt de verantwoordelijkheid dus naar Shell en ExxonMobil. Het neemt haar niet weg.
Onzeker: is de NAM via latere afspraken toch gebonden?
Shell schrijft zelf dat er in 2018 en 2019 afspraken zijn gemaakt “tussen NAM, haar aandeelhouders Shell en ExxonMobil en de Staat”. Bij uitvoeringsovereenkomsten is de NAM wel partij, bijvoorbeeld bij de interim-betalingsovereenkomst versterken uit 2018 (Tweede Kamer). Niet openbaar is of de NAM zich, zoals artikel 1.6 AoH voorschrijft, ook formeel aan de solvabiliteitseis heeft gecommitteerd. Gebeurde dat wel, dan is de stelling “de NAM is niet gebonden” zwakker dan zij lijkt.
Is het ook inhoudelijk een schending?
Shell, ExxonMobil en de NAM erkennen in feite dat de solvabiliteit onder de 25 procent zakt. Hun verweer is dat de financiële robuustheid toch geborgd blijft. Hieronder de belangrijkste argumenten van beide kanten.
| Argument voor de NAM en de aandeelhouders | Kanttekening |
|---|---|
| De NAM heeft tot september 2031 het “onvoorwaardelijke, onherroepelijke en direct opeisbare recht” om de € 1,36 miljard terug te vorderen . | Een vordering op aandeelhouders is geen eigen vermogen. Of de NAM dat recht uitoefent, bepaalt een bestuur dat onder diezelfde aandeelhouders valt. De afspraak noemt een solvabiliteitsgrens en geen gelijkwaardig alternatief. |
| Bankgaranties van Europese banken moeten de beschikbaarheid van het geld zekerstellen als de aandeelhouders niet betalen. | De voorwaarden en de omvang van die garanties zijn niet openbaar. |
| De NAM houdt € 6,25 miljard aan liquide middelen. | Daar staan voorzieningen, ontmantelingsverplichtingen voor ruim 800 putten en lopende heffingen tegenover. |
| Een scheidsgerecht oordeelde in juli 2026 dat de NAM de verwachte heffingen van € 2,8 miljard voor de komende drie jaar aannemelijk kan betalen (Kamerbrief 14 september 2026). | Dat oordeel ging over de positie vóór deze uitkering. Het scheidsgerecht liet uitdrukkelijk ruimte voor een nieuw verzoek van de Staat als de omstandigheden veranderen. |
Er speelt nog een procedureel punt. Artikel 3.2 van het AoH bepaalt dat partijen “te goeder trouw” evalueren of de solvabiliteitseis moet worden aangepast zodra de gaswinning onder 12 miljard m³ per jaar daalt. Het akkoord voorziet dus in gezamenlijke herziening, niet in eenzijdige afwijking. Het is niet openbaar of die evaluatie heeft plaatsgevonden.
Opvallend: de aanvullende uitkering van € 1,36 miljard is precies gelijk aan het maximale leenbedrag onder de Loan and Deposit Agreement tussen de NAM en haar aandeelhouders (Kamerbrief 14 september 2026). Uit openbare bronnen blijkt niet of hier een bewust verband is.
Context: een relatie onder spanning
De uitkering valt midden in een reeks conflicten:
- Shell en ExxonMobil voeren sinds december 2023 een arbitrage tegen de Staat over het AoH bij het Nederlands Arbitrage Instituut. Een deelvonnis wordt in 2028 verwacht (Kamerbrief 14 september 2026).
- ExxonMobil en Shell plc voeren daarnaast elk een investeringsarbitrage tegen Nederland onder het Energiehandvestverdrag (Kamerbrief 14 september 2026).
- De oorspronkelijke ongelimiteerde garanties van Shell en ExxonMobil zijn in juli 2026 vervangen door tijdelijke, begrensde garanties tot uiterlijk 1 juni 2031. Daar kan de Staat alleen een beroep op doen als de NAM insolvent is en het geschil over het bedrag definitief is beslecht (Kamerbrief 14 september 2026).
- De Staat wees in die procedure al op de dividenduitkering van € 3 miljard en op een Rabobank-analyse die het kredietrisico van de NAM als “hoog” inschaalde (Kamerbrief 14 september 2026).
Minister Heerma (BZK) wil opheldering van de NAM. Volgens hem roept de uitkering vragen op over “de financiële positie en het nakomen van de afspraken”. Hoogleraar bestuurskunde Herman Bröring vindt dat de uitkering “tegen de geest van de afspraak in gaat” en waarschuwt dat “de belastingbetaler hier uiteindelijk voor kan opdraaien” .
Risico’s en afhankelijkheden
| Type | Omschrijving |
|---|---|
| Financieel risico | Als de kosten voor schade en versterking hoger uitvallen dan de voorziening van € 1,7 miljard, neemt de buffer van de NAM snel af. |
| Juridisch risico | Het terugvorderingsrecht en de bankgaranties zijn niet openbaar getoetst. De Staat kan pas op de garanties terugvallen na insolventie en een definitieve beslechting van het geschil. |
| Afhankelijkheid | De uitkomst hangt af van de lopende arbitrages, die pas vanaf 2028 duidelijkheid geven, en van de vraag of en wanneer kussengas uit Norg en Grijpskerk gewonnen mag worden. |
| Publiek risico | Kan de NAM niet betalen, dan gaan schadeafhandeling en versterking wel door. De rekening komt dan bij de Staat terecht. |
Wat betekent dit voor de energiesector?
Voor netbeheerders en energieleveranciers heeft deze kwestie geen directe operationele gevolgen. De governance-les is wel breder toepasbaar. Wie publieke belangen via privaatrechtelijke afspraken borgt, moet bepalen wie formeel gebonden is, welke normen hard zijn en wat er gebeurt als de uitvoerende partij zelf geen contractpartij is. Dat geldt ook voor toekomstige constructies in de energietransitie, zoals afspraken over waterstofinfrastructuur, opslag en ontmanteling.
Samgevat
Formeel schendt de NAM geen eigen contractuele verplichting. Zij is geen partij bij het Akkoord op Hoofdlijnen. Het argument “de afspraak is niet met de NAM gemaakt” verplaatst de vraag echter naar Shell en ExxonMobil. Zij beloofden de Staat toe te zien op een solvabiliteit van minimaal 25 procent. Tegelijk zijn zij de aandeelhouders die de uitkering vroegen en ontvangen. Het terugvorderingsrecht tot 2031 kan de financiële robuustheid economisch deels borgen, maar is iets anders dan de harde solvabiliteitsgrens die in 2018 is afgesproken.
Of er juridisch sprake is van een tekortkoming, zal waarschijnlijk in arbitrage worden beslist. Inhoudelijk wijkt de uitkering af van de letter van de afspraak. Over de geest van de afspraak verschillen de partijen fundamenteel van mening.







