In discussies over het groeiende zonne-overschot op het elektriciteitsnet gaat de aandacht vaak uit naar huishoudens met zonnepanelen en de salderingsregeling, die vanaf 2027 verdwijnt. Huishoudens zijn echter slechts een deel van het verhaal. Volgens het CBS stond in 2024 het grootste deel van het Nederlandse zon-PV-vermogen bij bedrijven opgesteld.
Juist binnen die zakelijke markt bevindt zich een grote groep zonne-installaties die weinig tot geen financiële prikkel heeft om bij negatieve stroomprijzen af te schakelen: bedrijven met een oudere SDE-beschikking.
Drie SDE-regimes bij negatieve stroomprijzen
De regels voor SDE-subsidie bij negatieve elektriciteitsprijzen verschillen sterk per subsidieronde:
- SDE 2008–2015: de exploitant ontvangt steeds het in de beschikking vastgelegde subsidiebedrag. Een negatieve marktprijs wordt feitelijk aangevuld tot het afgesproken tarief.
- SDE+ 2016–2022: een subsidiekorting geldt alleen bij minimaal zes aaneengesloten uren met negatieve prijzen én voor zonne-installaties vanaf 500 kWp. Bij kortere negatieve prijsperioden of kleinere installaties blijft de subsidie dus volledig doorlopen.
- SDE++ vanaf 2023: de subsidie vervalt direct voor ieder uur waarin de elektriciteitsprijs negatief is.
Voor een groot deel van de bestaande zakelijke zon-PV-portefeuille ontbreekt daardoor een directe subsidieprikkel om de productie bij negatieve prijzen te beperken. De korting is niet van toepassing, of ontstaat pas als negatieve prijzen minstens zes uur achter elkaar aanhouden.
De zesuursregel raakt steeds vaker zon-PV
Negatieve prijzen tijdens uren met veel zonneproductie komen steeds vaker voor. Analyse van EPEX-prijsdata en zonopwekgegevens uit het Nationaal Energiedashboard laat zien dat het aandeel zonopwek dat onder de zesuursregel valt, snel is gestegen: van 1,3% in 2022 naar 15,8% in 2025.
De subsidieprikkel om met de markt mee te bewegen neemt dus toe. Dat geldt echter uitsluitend voor het deel van de zon-PV-portefeuille waarop de zesuursregel daadwerkelijk van toepassing is.
Circa 12 GWp valt buiten de directe SDE-prikkel
De relevante vraag is daarom: hoeveel SDE-gesubsidieerd zon-PV-vermogen wordt nu niet, of slechts beperkt, geraakt door de negatieve-prijskorting?
Een analyse van de openbare RVO-lijst SDE-projecten in beheer wijst op het volgende:
- Circa 3,2 GWp valt binnen de SDE-systematiek helemaal niet onder een negatieve-prijskorting.
- Circa 9 GWp wordt alleen gekort wanneer negatieve stroomprijzen minimaal zes uur aaneengesloten optreden.
- Samen gaat het om ongeveer 12 GWp: circa 40% van het totale opgestelde zon-PV-vermogen in Nederland.
Dit blok neemt naar verwachting pas vanaf ongeveer 2033 versneld af, met een resterende staart tot circa 2040. Dat betekent niet dat deze installaties nooit zullen afschakelen. Andere prikkels kunnen nog altijd een rol spelen, zoals afspraken in een PPA, onbalansprijzen, transportbeperkingen of congestiemanagement.
Maar de directe prikkel vanuit de SDE-subsidie ontbreekt voor een aanzienlijk deel van deze portefeuille, of treedt alleen op tijdens langdurige periodes met negatieve stroomprijzen.
Zonne-overschot is meer dan salderen
Het zonne-overschot op het Nederlandse elektriciteitsnet is dus niet uitsluitend een gevolg van salderen bij huishoudens. Ook de inrichting en looptijd van historische SDE-beschikkingen bepalen in belangrijke mate of zakelijke zonneparken financieel worden gestimuleerd om hun productie aan te passen aan negatieve prijzen.
Wie de effecten van negatieve elektriciteitsprijzen, netcongestie en flexibiliteit wil begrijpen, moet daarom niet alleen naar consumenten en de afbouw van salderen kijken, maar ook naar de bestaande subsidieportefeuille voor zakelijke zon-PV.
Disclaimer: het openbare RVO-bestand bevat geen vermogenskolom. Het vermogen is daarom geschat aan de hand van een subsidieformule. De ordegrootte sluit aan bij de RVO Monitor Zon-PV, maar individuele projecten kunnen door de schattingsmethode aan de verkeerde kant van de grens van 500 kWp uitkomen.






